“In Brussel kunnen we van onderuit een nieuwe stad opbouwen”
Kristiaan Borret
Architect en uittredend bouwmeester van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Vroeger was hij ook al stadsbouwmeester van Antwerpen. Een bouwmeester geeft advies en bewaakt de samenhang tussen ruimtelijke projecten in een stad.
Brussel is een stad met veel beton, hoge kantoorgebouwen en nauwelijks groen. Of dat beweren mensen die er al even niet geweest zijn tenminste. De laatste jaren heeft de stad een metamorfose doorgemaakt. Meer open ruimte, meer plaats voor fietsers en hergebruik van materialen. Je herkent de hand van de Brusselse bouwmeester Kristiaan Borret.
"Als bouwmeester heb je geen echte macht. Je moet eigenlijk altijd mensen overtuigen.” Macht heeft Kristiaan Borret misschien niet, visie des te meer. Tien jaar lang speelde hij als Brussels bouwmeester zijn rol in de ontwikkeling van de Belgische hoofdstad. Nu loopt zijn tweede en laatste mandaat af.
In die periode begeleidde en adviseerde hij met een team van vijftien gemotiveerde medewerkers een lange reeks ruimtelijke projecten, van grote mobiliteitsknopen tot bruisende buurtpleintjes. Waar het kon, liet hij in een ontwerpwedstrijd de Brusselaars mee beslissen over hun stad. Hij duwde projecten in de juiste richting en bemiddelde met flair tussen uiteenlopende belangen. Altijd op zoek naar ruimtelijke kwaliteit.
Hoe heb je jouw rol als bouwmeester ingevuld?
“Mijn eerste stap was kennismaken met de professionals. Door hen te leren kennen, kon ik een visie ontwikkelen en bondgenootschappen creëren. Ik voelde dat je een netwerk van 'stadsgezinden' moest bouwen; mensen waar je op kon rekenen. Overheden, ontwikkelaars en architecten: allemaal partners die mee wilden bouwen aan een nieuw discours voor Brussel.”
Je spreekt vaak over een discours. Wat houdt dat eigenlijk in?
“Je bekijkt altijd eerst de omgeving waar je in werkt. Op basis daarvan moet je een discours, een verhaal, uitwerken. Brussel is op dat vlak een dankbare omgeving. Het is een beschadigde stad. In de tweede helft van de 20ste eeuw hebben politici en projectontwikkelaars het modernisme omarmd en een groot deel van de 19de-eeuwse stad afgebroken ten voordele van vaak banale nieuwbouw en brutale verkeersinfrastructuur met veel ruimte voor de wagen. Die clash van schalen en stijlen bepaalt vandaag de Brusselse identiteit en geeft ons heel wat architecturale vrijheid. Er is geen strak keurslijf zoals in een harmonieuze stad als Wenen. In Brussel kunnen we van onderuit een nieuwe stad opbouwen. Passage à l'acte heet dat in het Frans. Het ondernemen van actie.”
“In die zin biedt Brussel ook veel mogelijkheden. Zowel door het verleden als door de ruimte om de passage à l'acte in de praktijk te brengen. Tot enkele jaren geleden werd een uitgeleefd kantoorgebouw nog volledig afgebroken en verrees er een gloednieuwe vervanger. Vandaag zijn we daarin een omslag aan het maken. Het kantoorgebouw wordt circulair gestript en de betonnen structuur vormt de basis voor een nieuwe bestemming. Met daarbij een doordachte visie op de levendige stad, waarbij wonen en werken gecombineerd worden in één gebouw. En waarbij rekening wordt gehouden met klimaatuitdagingen. Het vraagt creatieve oplossingen van architecten.”
Werkt een bouwmeester vooral achter de schermen?
(geamuseerd) “Niet alleen dat. Een bouwmeester moet achter de schermen verbindingen leggen. Voor de schermen, bijvoorbeeld in de pers, moet hij op het juiste moment een duidelijke mening poneren. De combinatie van beide rollen ligt me het best. Ik combineer formele en informele instrumenten om de stad een duw in de juiste richting te geven.”
Speelt de verbinding met de omgeving in jouw werk dan geen rol?

“Zeker wel. We begeleiden ongeveer alle wedstrijden van publieke opdrachtgevers voor de stedelijke ontwikkeling. Als het om publieke ruimte gaat, zit er tegenwoordig altijd een burgerpanel in de jury. Zo kunnen mensen in alle transparantie meeluisteren naar de uitleg van de ontwerpers die aan de competitie deelnemen.”
Hoe werkt zo'n burgerpanel? Zeker in een multiculturele metropool als Brussel lijkt het niet vanzelfsprekend om iedere stem te vatten in een panel.
“De samenstelling van het burgerpanel wordt uiteindelijk bepaald door de opdrachtgever. Maar het klopt dat het belangrijk is om stemmen te vatten die representatief zijn voor de buurt. De winkelier in het panel moet niet alleen spreken voor zijn eigen winkel, maar voor de hele middenstand.”
“Een goed project was de vernieuwing van de Emile Bockstaellaan. Bij de vernieuwing van die straat is door de jury niet gekozen voor het veilige ontwerp. Het werd een radicaal ontwerp, met aan de ene zijde van de straat ruimte voor groen en fietsers, en aan de andere zijde ruimte voor parkeren. Het burgerpanel was zelf voorstander van het ontwerp. De winkeliers uit het panel keken verder dan hun eigen situatie. Niemand redeneerde vanuit 'zolang er maar parkeerplaats voor mijn winkel is'. Door een goed proces te doorlopen ontstond er een gedragen project.”
Wat kan een burgerpanel betekenen in het verdere verloop van een ruimtelijk traject?
“Deelnemers aan een burgerpanel krijgen maar één stem. Ze moeten dus onderling overleggen en compromissen sluiten. Ze mogen niet alleen uit eigenbelang spreken. Daarom begrijpen ze dat een beslissing in dergelijke complexe projecten niet eenvoudig is. Ze worden een soort ambassadeurs voor het project, wat helpt om draagvlak te creëren. In het verdere traject spelen die ambassadeurs dus zeker een zinvolle rol.”
Hoe kijk je naar de rol van actiegroepen?
“Brussel heeft een sterke traditie van goedgeorganiseerde burgerbewegingen. Ik heb er regelmatig contact mee. Dat we soms tegenover elkaar staan, betekent niet dat we niet met elkaar zouden kunnen spreken. Vaak redeneren ze nogal defensief, vanuit het beschadigde verleden van Brussel. Wat ik interessant vind, is de opkomst van constructieve actiegroepen. Die zijn er zeker ook. Dat soort groepen pleit voor iets dat niet alleen voor hen beter is, maar voor heel Brussel. Voor gezonde lucht of voor publieke zwembaden. Ik vind dat veel wervender dan 'geen tram in mijn straat'.”
Heeft het vaak ook niet met miscommunicatie tussen het projectteam en de omgeving te maken?
“Dat speelt zeker mee. Daarom juich ik het toe dat men in Brussel nu ook overweegt te werken met buurtregisseurs en omgevingsmanagers. Om de input van de omgeving op te vangen en mee te nemen naar de beslissers. Dat helpt om draagvlak uit te bouwen en vooral te behouden. Ik moet eerlijk zijn, in Brussel hebben we op dat vlak nog een weg af te leggen.”
“Wat ook meespeelt: het openbaar onderzoek bij vergunningen is gericht op bezwaren. We nodigen bij wijze van spreken iedereen uit om aan te geven waarom een project niet gerealiseerd mag worden. Maar we horen nooit de stemmen uit de omgeving die er wél achter staan. Maar het blijft nodig om de juiste verwachtingen te scheppen. Je kunt nooit iedereen blij maken met een ontwerp.”

De opdrachtgever stelt allerlei eisen, de omgeving heeft ook nog veel ideeën. Botst een ontwerp dan niet op zijn eigen limieten?
“Daar zit zeker een spanningsveld. Daarom geven we aan opdrachtgevers ook mee dat ze keuzes moeten maken. Focus op één of enkele ruimtelijke ambities die belangrijk zijn voor het project en werk die helemaal uit. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om ontwerpers te vragen overal een beetje op in te zetten. Kies resoluut voor een bepaald aspect. Als je daar duidelijk over bent, stimuleert dat om een uitgesproken ontwerp te maken. In het Engels zegt men choose your battles, voor mij is het eerder: choose your ambitions.”
“In het Engels zegt men choose your battles, voor mij is het eerder: choose your ambitions.”
Een project realiseren vraagt tijd. Soms tientallen jaren. Gebeurt het niet dat in die tijd de realiteit helemaal verandert?
“Dat is altijd een uitdaging. In tien jaar tijd komen en gaan er veel mensen in een buurt. Het is niet omdat een burgerpanel zich tien jaar geleden positief uitsprak over een project, de buurt er vandaag nog altijd achter staat. Daarom ben ik een grote voorstander van een tijdelijke invulling bij projecten. Zorg ervoor dat gebouwen niet leegstaan in afwachting van een bouwproject, maar doe er iets mee. Zo betrek je de buurt en zorg je ervoor dat mensen een blik krijgen op de mogelijkheden die er zijn. Maar het moet wel zinvol zijn. Het is nu wel genoeg geweest met die pop-upbars. Die kunnen leuk zijn, maar het werkt niet als in het uiteindelijke project de ruimte een heel andere invulling krijgt. Als overheid kun je een tijdelijke invulling dan beter zien als een testfase, waarna je sommige van die functies nadien meeneemt.”
“Ontwerpers moeten ook anticiperen. Gelukkig zijn gebouwen die vandaag ontworpen worden meer flexibel en gemengd. Dat betekent dat hun functie kan veranderen naargelang de vraag vanuit de omgeving verandert. Een stad is voortdurend in beweging. Een voorbeeld: tot voor kort werden loodgieters en herstelateliers, zogenaamde ondersteunende functies, naar de rand van de stad geduwd. Tegenwoordig willen we dat soort functies in de stad behouden, en ook met wonen combineren. Gebouwen krijgen op de begane grond een ondersteunende functie, en op hogere verdiepingen woongelegenheid.”
Hoe zie jij de toekomst?
“Ik ben een optimist. Mijn motto is: omarm de complexiteit. De wereld is complex en de problemen die op ons afkomen ook. Ze zijn verweven in allerlei disciplines, dus alleen kun je niks oplossen. Maar gebruik die complexiteit, daag jezelf uit en zoek zo naar oplossingen. Ontwerpers hebben op dat vlak een enorm voordeel. We kunnen met onze creativiteit tot onverwachte oplossingen komen.”
Een uitsmijter: welke les wil je onze lezers meegeven?
“Laat mensen zien wat de toekomst brengt. Kun je met een tijdelijke invulling een beeld geven van het uitgewerkte project? Doe dat. Het is een uitgelezen kans om de verbetering te laten zien tegenover de huidige situatie en zo draagvlak te krijgen voor de werkzaamheden die volgen.”






